Soemoed is
het Arabische
woord voor vastberadenheid
of standvastigheid, een begrip dat in de Palestijnse gemeenschap wordt gebruikt om de strijd voor het behoud van het land en de terugkeer naar Palestina uit te drukken.


Twitter
NPK-INFO PER EMAIL

Nieuws, acties en activiteiten per email-nieuwsbrief NPK-info komt gemiddeld wekelijks.
Aanmelden hieronder.


Laatste NPK-info Archief NPK-info
NPK TIJDSCHRIFT
Soemoed cover

Soemoed 44/6
november-december 2016

AANBIEDING
Neem een Soemoed jaarabonnement en ontvang tevens het boek "De verwoesting van Palestina" voor de halve prijs €10.

NPK PUBLICATIES - SOEMOED - JAARGANG 44, NUMMER 6

Hoe Israel de bezetting van Palestina geprivatiseerd heeft 


Antony Loewenstein & Matt Kennard

 

Een boost voor de veiligheidsindustrie en voor Israel een manier om zijn verantwoordelijkheid voor het schenden van mensenrechten te ontlopen.

 

 

Het is vier uur in de ochtend. De maan staat nog hoog aan de hemel als er van overal op de Westelijke Jordaanoever Palestijnen toestromen naar het checkpoint Qalandia, gelegen tussen Ramallah en Jeruzalem. Zij staan klaar om hun werkdag in Israel, aan de andere kant van de Muur, te beginnen.

 

Qalandia is een van de drukste checkpoints waarlangs Palestijnen met de benodigde werkvergunning vanuit de sinds 1967 bezette Palestijnse Gebieden naar Israel kunnen reizen. Met een werkloosheid van rond de 26 procent op de Westelijke Jordaanoever in de Strook van Gaza is het nog veel erger; volgens de Verenigde Naties behoort het werkloosheidspercentage daar tot het hoogste ter wereld is het altijd bijzonder druk op dit vroege uur van de dag, want de Palestijnen zijn voor hun werkgelegenheid afhankelijk van Israel, vooral in de bouw, de industrie en de landbouw.

 

Ruwweg 63.000 Palestijnen beschikken over een Israelische werkvergunning, maar in werkelijkheid wordt het aantal Palestijnen in dienst van joodse Israeli's geschat op 120.000. Rond 27.000 van hen zijn werkzaam in de volkenrechtelijk illegale industriezones op de Westelijke Jordaanoever, geëxploiteerd door Israelische ondernemingen, die er ook de eigenaar van zijn. Nog eens 30.000 Palestijnen werken illegaal in Israel, omdat zij de vereiste werkvergunning niet kunnen verkrijgen.

 

Werkvergunningen worden regelmatig onterecht ‘om veiligheidsredenen’ ingetrokken en Palestijnen krijgen zelden de reden van afwijzing te horen. Sinds de zogeheten ‘messen-intifada’ van oktober vorig jaar, heeft Israel duizenden vergunningen ingetrokken uit vrees voor aanslagen door Palestijnen. De Israelische regering overweegt daarnaast een aanzienlijke vermindering van de belastingvoordelen voor Palestijnse arbeiders in Israel, waardoor de toch al magere lonen verder zullen dalen.

 

In de vroege ochtenduren haasten Palestijnse mannen (en enkele vrouwen) zich om de lange wachtrijen en de frequente afsluitingen van de toegangspoorten naar Israel vóór te zijn. Een drukte die niet lijkt te passen bij dit extreem vroege tijdstip, waarbij neonlampen de enige verlichting vormen voor de gejaagde arbeiders. In de wachtrij wordt er veel gerookt. Een man draagt een T-shirt met achterop de woorden ‘Chicken Revolution’.

 

De loods waarin de controlepost zich bevindt, heeft van binnen veel weg van een veestal: metalen tralies aan weerszijden en bovenin vormen een smalle goot die de arbeiders velen al langer dan een uur onderweg naar het punt voert waar hun papieren door Israelische functionarissen worden gecontroleerd. Dan opnieuw wachten, aan de Israelische kant, op transport naar de werkplek.

 

Jarenlang werden de checkpoints bemand door Israelische militairen en Israelische grenspolitie. Maar sinds 2006 worden de soldaten en politieagenten terzijde gestaan door bewapende particuliere beveiligers. Vandaag de dag maken 12 checkpoints op de Westelijke Jordaanoever en twee aan de grens met de Strook van Gaza gebruik van dit soort beveiligers. Sluipenderwijs privatiseert Israel de bezetting.

 

Veel Palestijnen die wij spreken, merken deze veranderingen niet eens op. Wat hen betreft heeft elke joodse Israeli met een geweer en een insigne een volmacht om hen te vernederen. Dagloner Imad (net als de meeste Palestijnen die wij spreken wil hij zijn achternaam niet prijsgeven) staat in de wachtrij een sigaret te roken. Hij heeft achterover gekamd haar en draagt een grijs T-shirt. ‘Als dat een verbetering zou moeten zijn,’ zegt hij, doelend op de particuliere bewakers, ‘... nou nee. Zij zijn geen haar beter dan het leger.’

 

Even na zes uur in de ochtend duiken gewapende lieden op, die er op het eerste gezicht uitzien als Israelische soldaten. Maar zij dragen uniformen die donker afsteken tegen het traditionele olijfgroen van het Israelische leger, met een insigne waarop ‘Ezrachi’ staat. Het bedrijf Modi’in Ezrachi is momenteel het grootste particuliere beveiligsbedrijf dat door de Israelische overheid is ingehuurd en zijn werknemers behoorden tot de eerste particuliere beveiligers van checkpoints. Zij worden daarnaast ingezet bij de beveiliging van bussen in Jeruzalem, bij de bewaking van stukken grond die in bezit zijn van joden, in het overwegend Palestijnse Oost-Jeruzalem waar de bewakers ervan beschuldigd worden de Palestijnen te terroriseren en het geweld van joodse kolonisten aan te moedigen en het plein vóór de Klaagmuur.

 

Modi’in Ezrachi overtreedt herhaaldelijk de Israelische arbeidswetten, onder meer door onderbetaling van zijn personeel, maar dat verhindert het bedrijf niet om opnieuw overheidsopdrachten in de wacht te slepen. Deze trend, waarbij overheden via particuliere beveiligingsbedrijven hun eigen verantwoordelijkheid proberen te ontlopen, komt in meer landen voor, waaronder Australië, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Griekenland. (Modi’in Ezrachi ging niet in op herhaalde verzoeken om commentaar te geven op zijn activiteiten.)

 

‘Wij zien geen verschil tussen particuliere beveiliging, het Israelische leger en de politie,’ zegt Reham, een 22-jarige studente medicijnen en psychologie aan de Al-Najah Universiteit in Nabloes. Zij is afkomstig uit Jeruzalem en heeft nog zes jaar voor de boeg voordat zij arts is. Wij praten met haar en haar vrienden even buiten het chaotische taxistation bij Qalandia.

 

‘Het is vreselijk,’ gaat Reham verder. ‘Soms is het heel erg druk en moet je lang wachten, soms wel een uur.’ Zij wist niet eens dat de controleposten geleidelijk geprivatiseerd worden. ‘Het is mij niet opgevallen. Die mensen zien het [beveiliging] gewoon als een baan.’

 

De lijst van vernederingen die Palestijnen moeten ondergaan bij controleposten, is lang. De Israelische mensenrechtenorganisatie B'Tselem [Hebreeuws voor In het Beeld van, zoals in de Genesis 1:27] heeft in de loop der jaren talloze rapporten uitgebracht over de slechte behandeling. De Israelische vrouwenorganisatie Machsom Watch [Hebreeuws voor Checkpoint Controle] heeft de controleposten al sinds 2001 in het vizier en treedt op ten behoeve van Palestijnen wier aanvragen voor een werkvergunning ten onrechte worden afgewezen.

 

Reham vertelt over haar eigen ervaringen. ‘Het hangt af van de individuele soldaat of politieagent,’ zegt zij. Soms laten ze je door. Zij spreken niet met je. Over het algemeen is het vrouwelijk personeel gemener dan het mannelijk personeel ik snap niet waarom.’

 

De Israelische NGO Who Profits, die particuliere bedrijven opspoort die geld verdienen aan de illegale bezetting van de Westelijke Jordaanoever, heeft eerder dit jaar een rapport uitgebracht waarin deze ontwikkeling uit de doeken wordt gedaan. ‘In de afgelopen decennia,’ meldt het rapport, ‘zijn veel militaire taken overgedragen aan particuliere bedrijven, waardoor de veiligheidsindustrie een van de snelst groeiende bedrijfstakken in Israel is geworden.’

 

particuliere spierballen in een wetteloos gebied

 

Op een hete augustusdag, schijnt de zon op de Muur bij het checkpoint Qalandia. Op de Muur staan advertenties voor appartementen in Palestina. Koffieverkopers doen goede zaken met de wachtenden. Op de Muur vlakbij het checkpoint staan portretten van mannen ‘martelaren’ volgens het plaatselijk taalgebruik afkomstig uit het dorp Qalandia, die door Israelische veiligheidstroepen gedood zijn.

 

Tot op zekere hoogte is het een raadsel waarom Israel bij deze checkpoints nog méér vertoon van spierballen nodig heeft. De Palestijnen die er doorheen moeten, worden toch al geconfronteerd met een doolhof van verwarring en de groei van de veiligheidsbureaucratie heeft ook niet geholpen. Maar zelfs áls meer spierballenvertoon nodig is, waarom dan niet meer soldaten ingezet? Per slot van rekening beschikt het Israelische leger over een fors aantal dienstplichtige arbeidskrachten. In Israel hebben joodse mannen drie, en joodse vrouwen twee jaar dienstplicht (reservedienstplicht bestaat voor mannen tot de leeftijd van 51 en voor vrouwen tot 24 jaar).

 

Iyad Haddad, een 53-jarige onderzoeker van B'Tselem, die al 15 jaar veldwerk verricht, houdt zich zijn hele carrière al bezig met het onderzoeken van Israelische mensenrechtenschendingen tegen Palestijnen. ‘Vroeger was het Israelische leger duidelijk herkenbaar aan zijn uniform,’ vertelt hij ons in Ramallah. ‘Vóór de Tweede Intifada [die begon in de herfst van het jaar 2000; red.] gebruikte het leger soms undercovereenheden, gekleed als Palestijnen. Ik kan mij niet herinneren dat het toen particuliere groepen inzette. Na de Tweede Intifada merkte ik dat zij tot een andere tactiek waren overgegaan door particuliere Israelische eenheden en bedrijven bij checkpoints in te zetten, bij het bewaken en beveiligen van de Muur en in gevangenissen. Ook bewaakten zij [volkenrechtelijk illegale] joodse nederzettingen.’

 

Dit maakt deel uit van een wereldwijde trend van Irak tot Colombia waarbij particuliere militaire en beveiligingsbedrijven steeds meer taken van de staat overnemen. De meeste begonnen met minder aanvechtbare werkzaamheden, maar raakten uiteindelijk toch betrokken bij gewelddadige acties. In 2016 bracht het International Institute for Nonviolent Action een rapport uit getiteld De Onzichtbare Macht, dat de praktijken van particuliere beveiligingsbedrijven in Colombia, Irak en de Palestijnse Gebieden met elkaar vergelijkt. Daarin wordt gesteld dat ‘het uitbesteden van werkzaamheden begon met niet-militaire diensten, zoals catering, vervoer en andere logistieke taken, om zich later uit te breiden tot de bouw van militaire objecten, waaronder de Muur, en uiteindelijk ook tot het handhaven van de openbare orde en veiligheid [in de bezette Palestijnse Gebieden].’

 

Voor Haddad werd het steeds moeilijker vast te stellen door wie bepaalde overtredingen zijn gepleegd, doordat veel Palestijnen zich niet realiseren dat zij met particuliere beveiligingsbedrijven te maken hebben. ‘Soms beschrijven Palestijnen eenheden die mij niet bekend voorkomen,’ zegt hij. Hij denkt dat deze onherkenbaarheid één van de voornaamste redenen is, dat Israel deze bedrijven inzet. ‘Zij maken er gebruik van om onder hun verantwoordelijkheid uit te komen en het is op deze manier gemakkelijker om geweld toe te passen, zonder er verantwoordelijkheid voor te hoeven nemen. Geweldsinstructies op basis van Israelische of internationale wetgeving zijn gemakkelijker te omzeilen door het gebruik van particuliere eenheden.’

 

Deze beoordeling van Haddad lijkt correct. Afgelopen april werden twee Palestijnen Maram Saleh Abu Ismail (23) en haar broertje Ibrahim Saleh Taha (16) bij het checkpoint Qalandia doodgeschoten door bewakers van Modi’in Ezrachi. Dit was een van de opvallendste schietpartijen met dodelijke afloop, uitgevoerd door particuliere bewakers bij een checkpoint op de Westelijke Jordaanoever. Broer en zus, die volgens getuigen de in het Hebreeuws gegeven instructies kennelijk niet verstonden, werden als terroristen aangemerkt, omdat één van hen – Ismail een mes naar een van de agenten zou hebben gegooid. Niet lang daarna kondigde het Ministerie van Justitie aan, dat het onderzoek naar hun dood was afgesloten, zonder een aanklacht. Noch het bureau van de Israelische Minister van Defensie, noch de IDF, noch Modi’in Ezrachi namen de moeite op onze vragen over het incident te reageren.

 

In theorie zouden deze particuliere bewakers vervolgd kunnen worden voor Israelische rechtbanken, omdat zij volgens de Israelische wet niet dezelfde bescherming genieten als politieagenten en soldaten. Maar een Israelische rechtbank plaatste deze zaak onder censuur (is in oktober gedeeltelijk opgeheven), waardoor het onmogelijk was om opnamen van deze schietpartij te bekijken en aan te tonen dat het beveiligingspersoneel in de fout ging. Ook werd het de familie van de slachtoffers onmogelijk gemaakt gerechtigheid te zoeken. Op deze manier dient geprivatiseerde handhaving van de bezetting de belangen van de staat Israel.

 

In 2014 bracht de Israelische non-profit organisatie Yesh Din [Hebreeuws voor Er is Recht] een rapport uit onder de titel Het Wetteloze Gebied. Daarin staat te lezen dat particuliere beveiligingsorganisaties worden uitgerust met wapens van het Israelische leger, militaire training ontvangen en gemachtigd zijn om politietaken uit te voeren, waaronder huiszoekingen, arrestaties en het gebruik van geweld.

 

Bij het door de Muur omgeven vluchtelingenkamp Shu’afat in Oost-Jeruzalem zagen wij beveiligingsfunctionarissen van Ezrachi de papieren van de inzittenden van bussen en auto’s controleren taken die altijd aan de veiligheidsbeambten van de staat of aan de politie voorbehouden waren. Toen wij dichterbij kwamen, werden zij kwaad en zeiden zij dat wij weg moesten gaan. In de buurt van de Muur was de lucht doortrokken van de zwarte rook van brandende autobanden.

 

Toen wij het Israelische Ministerie van Defensie om commentaar vroegen op de beheersstructuur (Matrix of Control*) op de Westelijke Jordaanoever, kregen wij als antwoord dat ‘op sommige checkpoints bijstand verleend wordt door bedrijven die gespecialiseerd zijn in beveiliging en bescherming.’ Het ministerie adviseerde ons ons voor méér informatie tot het Israelische leger te wenden, omdat ‘de checkpoints rond Jeruzalem’ onder diens verantwoordelijkheid vallen. Maar het leger vertelde ons dat ‘het Ministerie van Defensie het juiste aanspreekpunt voor dit onderwerp is.’ Deze Kafkaëske procedure gaf ons een inkijkje in de onmogelijke situatie waarin Palestijnen verkeren die gerechtigheid zoeken voor hun geliefden, die gedood of gewond zijn door toedoen van particuliere beveiligers.

 

de ethiek van privatisering

 

Vanaf zijn oprichting in 1948 tot de Juni-Oorlog van 1967 is Israel wereldwijd gesteund door een groot deel van de linkse beweging. Deze beschouwde het land als een socialistische natie op zoek naar sociale rechtvaardigheid en gelijkheid. Toegegeven, dit is een bruikbare mythe gebleken, die de voortdurende en door de staat gesteunde discriminatie van de Palestijnse minderheid aan het oog onttrok (in werkelijkheid hebben Palestijns-Israelische burgers vanaf de oorlog van 1948 tot 1966 altijd onder direct militair bestuur geleefd). Tot het midden van de jaren zeventig bestond er vergeleken met andere westerse landen vrijwel geen welvaartskloof tussen joden onderling. De welvaartsstaat zorgde voor een keurige ondersteuning van zijn joodse bevolkingsdeel. Maar medio jaren negentig ontstond er een gapende kloof tussen arm en rijk. Daniel Gutwein, een Israelische wetenschapper en docent aan de Universiteit van Haifa, beschrijft hoe ‘ Israels ethiek van sociale solidariteit werd ingeruild voor de ethiek van de privatisering.’

 

Het is duidelijk dat Israel zich sinds het zeggenschap verkreeg over de Westelijke Jordaanoever en Gaza, nooit heeft beijverd voor het universele welzijn van de Palestijnen in de veroverde gebieden. Sinds de bezetting zijn de Palestijnen tot op de dag van vandaag onderworpen aan het militair gezag.

 

Sinds het einde van de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de rechtse regeringen in Israel onder aanvoering van de Likoed-partij de overtuiging toegedaan dat de ontmanteling van de welvaartsstaat de beste manier is om de economie te liberaliseren. Simha Erlich, de Israelische minister van Financiën van 1977 tot 1979 ging er prat op dat Milton Friedman een Amerikaanse econoom en theoreticus van het neoliberalisme zijn economisch adviseur was.

 

Shir Hever, auteur van The Political Economy of Israel's Occupation: Repression Beyond Exploitation (Londen: Pluto Press, 2010; 240 pp.) en afgestudeerd aan de Vrije Universiteit van Berlijn, heeft zich verdiept in de privatisering van de beveiligingsindustrie. Hij zegt: ‘In 1985 legde het IMF aan ontwikkelingslanden die met schulden worstelden ‘structurele aanpassingsmaatregelen’ op en de Israelische regering aanvaardde die van harte. Het Israelische Plan tot Stabilisering uit 1985, een keerpunt in de nationale economie, leidde tot de overgang van een op sociaaldemocratische leest geschoeide planeconomie naar een neoliberale markteconomie.’

 

Hever vervolgt: ‘De huidige privatisering van grote staatsbedrijven begon al in de jaren '90 en de privatisering van de defensiesector volgde later, eerst met de verkoop van wapenfabrieken die staatseigendom waren, en later tijdens de Tweede Intifada met het op grote schaal uitbesteden van veiligheidstaken aan particuliere ondernemingen.’ Israel volgde het voorbeeld van Ronald Reagan in Amerika en Margaret Thatcher in Groot-Brittannië. En de defensie-industrie in de Verenigde Staten moedigde de [joodse] Israeli’s aan om óók hun wapenindustrie te privatiseren.

 

Hever argumenteert dat de privatisering in Israel dezelfde oorzaak heeft als in andere landen: ‘Particuliere beleggers gebruikten de neoliberale ideologie om te verkondigen dat de overheid haar bedrijven inefficiënt bestuurde en slaagden er op die manier in Israels telecommunicatiereus, zijn grootste luchtvaartmaatschappij, zijn reusachtige scheepvaartbedrijf, olieraffinaderijen en op één na alle banken voor afbraakprijzen over te nemen.’

 

Toen ook de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt en het onderwijs in het vizier kwamen, duurde het niet lang totdat de Israelische middenklasse begon te lijden onder de harde discipline van de marktwerking. Een dramatische terugval van de macht van de vakbond en deregulering gingen hand in hand met verslechterende leefomstandigheden. Rond de millenniumwisseling was het ledental van de Histadroet [vakbondsconfederatie], dat begin jaren negentig nog op 2 miljoen stond, met twee derde gedaald. (De laatste tien jaar echter zien wij weer een gestage toename van het aantal vakbondsleden, nu de bevolking van Israel moet vechten om het hoofd boven water te houden.)

 

Heden ten dage zijn de gevolgen van de uitbesteding duidelijk. Israels premier Benjamin Netanyahoe is vast van plan om voor miljarden dollars aan staatseigendommen in de uitverkoop te doen. Hij is al jaren de trotse kampioen van dit beleid, dat hij al tijdens zijn eerste regeerperiode aan het eind van de jaren negentig had ingezet. Maar de gemiddelde Israeli betaalt hier een hoge prijs voor. Van alle landen die deel uitmaken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is de armoede in Israel het grootst. Volgens UNICEF is de sociale ongelijkheid onder kinderen anno 2016 in Israel de hoogste van de 41 meest ontwikkelde landen van de wereld: één derde van deze kinderen leeft onder de armoedegrens. In 2015 waren er naar schatting van het Israelische Nationaal Instituut voor Verzekeringen [vergelijkbaar met onze Sociale Verzekeringsbank (SVB); red.] 1,7 miljoen armen in het land op een bevolking van 8 miljoen. Ook de betalingsachterstand is toegenomen en de gestegen kosten van levensonderhoud, gekoppeld aan de hoge rente, hebben in 2011 tot massale protesten geleid.

 

Maar niet iedereen lijdt hieronder. Israels militaire establishment is bezig de wapenhandel te privatiseren en de bijbehorende technologie aan het buitenland te verkopen. De Israelische schrijver en activist Jeff Halper betoogt in zijn boek War Against the People: Israel, the Palestinians and the Global Pacification; Londen Pluto Press, 2015; 296 pp.), dat de bezetting voor Israel geen last is, maar een ‘bron van inkomsten’. Hierdoor kan de joodse staat immers zijn wapens en bewakingssystemen 'in het veld' uitproberen op Palestijnen en andere staten helpen in hun militaire behoeften en bij het verkrijgen van inlichtingen. Een groeiend aantal Europese en Amerikaanse functionarissen hebben Israel de laatste jaren bezocht om inzicht te krijgen in diens defensie- en veiligheidssystemen.

 

Neem bijvoorbeeld het Israelische bedrijf Magal [Magal maakt ook grote kans op het verwerven van een order voor het plaatsen van de ‘Trump-barrière’ op de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico; red.], dat de Strook van Gaza geheel met hekwerk heeft omringd. Dit bedrijf heeft de afgelopen jaren niet alleen meegewerkt aan de bouw van de barrières langs de grenzen met Egypte en Jordanië, maar ook een offerte gemaakt voor de bouw van een muur langs de Keniaans-Somalische grens om de Kenianen te beschermen tegen aanvallen van Al-Shabaab-terroristen. Het hoofd van de onderneming, Saar Koursh, vertelde onlangs aan Bloomberg dat de ‘grens-business op zijn gat lag, totdat Islamitische Staat en het conflict in Syrië zich aandienden. De wereld verandert en grenzen worden weer booming business.’

Dit is maar één manier waarop Israel als dé grote ervaringsdeskundige in bezetting, het militariseren van grenzen en het bespioneren van ongewenste bevolkingsgroepen, enorme financiële voordelen heeft bezorgd aan een bepaald deel van de Israelische economie. De gewone man heeft er niets aan de armoede wordt er niet minder van en volgens econoom Hever is het ook niet genoeg om Israel te behoeden voor de economische tegenwind die het gevolg is van de groeiende Boycott, Divestment and Sanctions (BDS) beweging. ‘BDS richt zich niet op de omvang van de exporten maar op het bewust worden van het internationaal recht,’ meent hij. ‘Onlangs nog hebben BDS-activisten vorderingen gemaakt in hun strijd tegen de wapenindustrie zelf en hebben zij binnen de EU het debat op gang gebracht over het aanwenden van onderzoeksfondsen ten behoeve van Israels wapenindustrie en hebben zij Braziliaanse politici ervan overtuigd hun wapenaankopen bij Israelische fabrikanten te heroverwegen.’ Hever stelt zelfs de levensvatbaarheid van Israels defensie-industrie ter discussie. ‘De wapensector in Israel is in verhouding met de omvang van de gehele economie groter dan in enig ander land in de hele wereld,’ vertrouwt hij ons toe, ‘maar het relatieve aandeel ervan in de Israelische exportmarkt is aan het afnemen.’ In 2015 bleef de wapenexport van Israel met 5,7 miljard dollar op ongeveer hetzelfde niveau.

 

de Bezetting BV

 

Particuliere bedrijven investeren al jaren in de nederzettingen. Maar deze betrokkenheid is, net als de verkregen winsten, de laatste tien jaar dramatisch gestegen. Eerder dit jaar bracht Human Rights Watch (HRW) een rapport uit getiteld Occupation inc. (De Bezetting BV) met gedetailleerde gegevens over de bijdragen van de Israelische en internationale zakenwereld aan de bouw, de financiering, het onderhoud en het in de markt zetten van de nederzettingen.’ ‘En in veel gevallen gedragen bedrijven zichzelf daar als kolonisten.’ voegde het eraan toe.

 

Voor joodse Israeli’s is de Westelijke Jordaanoever een soort speciale economische zone geworden, waar de nederzettingen vaak gunstiger omstandigheden bieden voor bedrijven dan steden in Israel zelf lage rente, belastingvoordelen, overheidssubsidies en ... goedkope Palestijnse arbeidskrachten. Het is een buitenkans, niet alleen voor Israelische bedrijven maar ook voor de internationale markt, en er worden hoge winsten behaald. De buitenlandse investeringen in de Westelijke Jordaanoever en in de Strook van Gaza stegen van 9,5 miljoen dollar in 2002 tot 300 miljoen dollar in 2009, om vanaf 2015 te stabiliseren op een niveau van 120 miljoen dollar. Een voorbeeld: in de Verenigde Staten ontwikkelde computergigant Hewlett-Packard de biometrische ID-kaarten die door Israelische veiligheidsdiensten worden gebruikt bij de controleposten op de Westelijke Jordaanoever. [zie elders in dit nummer van Soemoed; red.]

 

HRW rapporteert dat Israel 20 industriezones beheert op de Westelijke Jordaanoever die ongeveer 1365 hectare grond in beslag nemen, terwijl de joodse kolonisten nog eens 9300 hectare landbouwgrond bezet houden. De onderzoekers komen tot de conclusie dat ‘door het doen van zaken in of met [joodse] nederzettingen of bedrijven in nederzettingen [buitenlandse] bedrijven bijdragen aan ... het schenden van internationale mensenrechten.’ Deze wetenschap begint nu effect te sorteren.

 

Dit is één van de contradicties van privatisering. Terwijl Israelische overtredingen van internationale wetgeving in het algemeen worden genegeerd door zijn grootste weldoener, de Verenigde Staten (president Barack Obama schonk Israel pas geleden het grootste militaire hulppakket ooit), kan de BDS-beweging op enkele belangrijke successen bogen wat betreft het onder druk zetten van de private sector als medeplichtig aan mensenrechtenschendingen in Palestina. Voorbeeld: het Franse vervoersbedrijf Veolia kondigde in april 2015 aan zich terug te trekken uit Israel en het Britse mobiletelefoonbedrijf Orange besloot enkele maanden later alle contracten met zijn Israelische partner te verbreken.

 

Dit werpt de vraag op of de privatisering van de bezetting Israel ontvankelijker maakt voor internationale blijken van afkeur, waaronder boycot. Het beveiligingsbedrijf G4S, de grootste particuliere werkgever ter wereld op het gebied van beveiliging, kondigde in 2014 aan zich binnen drie jaar uit Israel te zullen terugtrekken en zijn contracten met het Israelische gevangeniswezen op te zeggen. (Dit feit werd door de BDS-beweging geclaimd als een overwinning, maar in een vraaggesprek met The Nation beweerde G4S dat, hoewel volledige terugtrekking gepland is per juni 2017, ‘de beslissing om de contracten niet te verlengen om commerciële redenen was genomen.’) Onder dit gevangeniswezen worden momenteel 6295 Palestijnen vastgehouden, als gevangenen of om veiligheidsredenen (onder wie 116 Palestijnse kinderen van 12 tot 15 jaar, die eind 2015 werden vastgehouden). In 2009 oordeelde het Hooggerechtshof dat plannen voor 'particuliere' gevangenissen ongrondwettig waren. Maar veel van de technische systemen en producten die in de gevangenissen worden gebruikt van camera's tot deuren en alarmsystemen worden gefabriceerd en onderhouden door particuliere bedrijven. [zie over G4S’s vertrek uit Israel elders in dit nummer van Soemoed; red.]

 

In een Midden-Oosten dat in brand staat, pleegt Israel zichzelf voor te stellen als een eiland van stabiliteit in een zee van conflicten. Er is dus weinig aanleiding voor Tel Aviv om te stoppen met zichzelf aan te prijzen als een voorbeeld voor het onder de duim houden van ongewenste bevolkingsgroepen en voor particuliere bedrijven om daar niet van te profiteren. Volgend jaar is het 50 jaar geleden dat Israel de Westelijke Jordaanoever [plus de Stook van Gaza en de Hoogvlakte van Golan] bezette en is gaan koloniseren. Die kolonisatie gaat tot de dag van vandaag door. Zonder grote internationale druk zal de ‘uitbestede’ bezetting een blijvende nachtmerrie worden.

 

 

uit: The Nation (Washington) van 27 oktober 2016

Antony Loewenstein is free-lance journalist en woonachtig in Jeruzalem; hij is de auteur van Disaster Capitalism: Making a Killing Out of Catastrophe;  Brooklyn, NY: Verso, 2015; 384 pp.   

Matt Kennard is adjunct-directeur van het the Centre for Investigative Journalism in London en de auteur van Irregular Army: How the US Military Recruited Neo-Nazis, Gang Members, and Criminals to Fight the War on Terror; Brooklyn: Verso, 2012; en The Racket: A Rogue Reporter vs. the American Elite; Londen, Zed Books, 2015; 359 pp.

vertaling: Frans Brons

uit: Soemoed – jaargang 44, nummer 6 (november-december 2016); pp. 26-29